© Leen Verlinden
Blues Peer: Van Bikers naar Fat Bikers
Zon, Limburgse gezelligheid, stoeltjes, babbelplekjes en gekoelde drankjes. En o ja, muziek. Het vernieuwde Blues Peer — ondertussen toch alweer aan zijn vijfde editie toe — wordt steeds meer een familiehappening: een gezellig feest om te buurten, met af en toe een goede groep. Je kan bij elk optreden rustig de tent doorwandelen, enkel op de voorste rijen sta je echt schouder aan schouder. Voor de oudere bluesgarde blijft het wennen, maar met een giga-opkomst en feest overal bewijst de organisatie haar grote gelijk. Waar ik 30 jaar geleden bijna overhoop gereden werd door bikers in hard leer op een Harley gebeurde dat dit weekend door een bende GenZ’ers op hun fatbike.
Gelukkig was er ook muziek, die varieerde van bijzonder leuk over verfrissend vernieuwend naar eerder rustige achtergrondmuziek voor die familiebijeenkomsten op de weide.
Joanne Shaw Taylor was op de zaterdag de Stevie Ray Vaughan van dienst. En ze liet de tent toch even meezingen met “The Chain” van Fleetwood Mac. Brushy One String had dan al zijn probleem van de snaartheorie op ons losgelaten. Ooit begonnen in de binnenlanden van Jamaica had hij maar geld (of net niet) voor één snaar. Maar als dat je handelsmerk wordt, moet je ook na vele goedbetaalde optredens verder tokkelen op dat ene onding. Zijn reggaeblues paste wel perfect bij het warme weer. En om een bluespubliek op zaterdagnamiddag luidkeels de ultieme reggaekreet “Wayoo” te horen meebrullen, is best speciaal. De biker voor mij, met een jasje vol labels van alle mogelijke metalbands, zong overtuigend mee met Get Up, Stand Up, waarbij zijn bierbuik de zachtjes wiegende reggaebeweging telkens met een halve tel vertraging inzette. Fascinerend zonder meer!
CW Stoneking trad zoals gebruikelijk met een mooie strik zijn publiek tegemoet. Met een blazerssectie van trombone en trompet bracht hij zijn unieke sound die geprezen wordt door vele andere artiesten. Misschien net iets minder door het publiek van Peer, want echt vol stond de tent niet en echt stil was het zeker niet. Daan vraagt nooit om een stil publiek. Daarvoor jaagt hij de decibels zelf teveel de hoogte in. Strak in kostuum bracht hij met zijn top-band (Geoffrey Burton! Isolde Lasoen!) zowaar elektronische synth naar Peer. Even dachten we dat hij zich van festival vergist had en enkele kilometers verder op Extrema moest zijn. Maar Daan heeft in zijn linkerpink meer charisma dan u en ik ooit samen zullen hebben, dus de snoodaard komt ermee weg. Hij kondigde zelf aan dat hij maar één bluesnummer heeft, maar met Icon, Exes en het geweldig slotnummer Housewives speelde hij de tent toch plat. Ondertussen had hij met de Sparks cover “This town ain’t big enough (for both of us)” een duidelijk statement richting Peer gegeven, maar zoals altijd bij Daan is het met een twist, met liefde en met oerdegelijk vakmanschap.
Het hoogtepunt op zaterdag was Eli ‘Paperboy’ Reed. Zijn bijnaam Paperboy kreeg hij omdat hij als jonge witte man in een gekleurde soul-scene in Mississippi altijd een pet van zijn opa droeg. Daar is dus niets bijzonders meer aan, maar des te meer aan zijn falsetstem die de Mississippi Club omtoverde in een soul club. Vooral toen hij Sean Mack McDonald mee het podium op vroeg. De band, gedragen door orgel, trompet, sax en de gitaarzang van McDonald bracht een vorm van slow blues die je helemaal terug katapulteerde naar de donkere, zweterige kroegen in de achterbuurten van het diepe zuiden. Het bezorgde ons meer kippenvel dan je in een mega legbatterij kan vinden.
Jake Bugg kreeg de ondankbare taak om op zijn ukkie, als solo-artiest, het hoofdpodium te bevolken om negen uur ‘s avonds na een broeierige dag. Toch een programmatiefoutje, want hoe talentrijk je ook bent, en zelfs met Stijn Meuris als grote fan, het pakte niet. De eet-en dranktentjes hebben tijdens dat uur wel gouden zaken gedaan.
Hoewel de weide goed bevolkt werd door lokale en zelfuitgeroepen diva’s, was er maar één echte diva en die stond op het podium onder de naam Bette Smith. Wat een vocale acrobatie. Deze dame kan lager dan haar basspeler en hoger dan een castraatzanger in de gevangenis. Haar boa, haar gitarist op speed en haar zevenhonderd keer herhaalde ‘I love you’ waren er allemaal wat over, maar qua soul was het helemaal af. Net toen we dachten dat ze verdacht veel op de streken en stijl van Tina Turner leek, stak ze een gloedvolle “Nutbush City Limits” in gang. En heel mooi was de door het publiek zachtjes meegezongen cover van Jackie Wilson “Your love keeps lifting me higher and higher”. Tot enkele aan zelfoverschatting leidende, in Hryox-gym marcellekes gehulde pseudo-krachtpatsers dat wat te letterlijk namen en iemand boven hun hoofd tilden, waarna ze schaamtelijk samen ter aarde stortten. Misschien was het opgezet spel, want zo kreeg het Rode Kruis eindelijk ook eens blutsen en schrammen te behandelen, in plaats van alleen zonnebrand vast te stellen en zonnesteken te koelen . Aan die opgetilde deernes kunnen we enkel aanraden om die bloedmooie zin uit dat liedje van Jackie Wilson op te dragen aan hun Hyrox patsers: ‘Disappointment was my closest friend’.
Na Bette was het hoofdpodium voor de IJslandse rockers van Kaleo. Denk aan mystieke rites, draken, runetekens, mist en een schedel gevuld met levertraan. Zo klinkt Kaleo.
Op zondag was Laura Cox de SRV van dienst, al ging zij nog luider en rauwer, een soort Joan Jett van de blues. Het hoogtepunt, wat ons betreft van heel Blues Peer 2026, was het Delvon Lamarr Organ Trio. En we houden zelfs niet van die Booker T-orgels. Maar hoe je met drie klasbakken, met naast Delvon ook Brice Calvin op gitaar en Ashley Ickes op drums, een woordeloos feel good feestje kunt brouwen, getuigt van pure onversneden inhoud. Geen idee hoe je die mix van soul, jazz, funk, blues en psychedelische rock kunt omschrijven, maar als je een publiek kan laten meezingen op een instrumentaal lied (!) dan kan je net iets meer. Als ik het niet gezien had, ik zou het nooit geloven (u dus wellicht ook niet).
Tee kwam 26 jaar na zijn laatste passage op Blues Peer nog eens dunnetjes bewijzen dat hij het alfa-mannetje van de Belgische blueswereld is. Gepokt en gemazeld in de VS, met enorm veel ervaring als producer van god en klein pierke, hoeft niemand hem nog een lesje te leren in hoe je blues speelt en brengt.
Je zal maar Allman heten en bluesrock willen spelen. Devon Allman ging de uitdaging aan en toert met de Devon Allman Blues Summit. Om niet al het gewicht van de band te moeten dragen, had hij onder meer de dochter van BB King gevraagd om mee te zingen. Nu ja, ze is een van zijn vijftien kinderen en die naam is toch zowel een vloek als een zegen als je blues wil spelen. Dat is ook voor Devon herkenbaar en werd ook nog eens duidelijk door enkele licks van papa Gregg of nonkel Duane te spelen en het publiek hierop te horen reageren. Verder bedankt Devon ons allemaal om ‘music made by humans’ te steunen in deze AI tijden.
Over Bobby Rush kunnen we veel of weinig zeggen. Als je woke bent, raden we je een optreden van Bobby af. Als je een 92-jarige aan het werk wil zien, die alle grootheden persoonlijk gekend heeft, die het meemaakte dat hij als zwarte artiest achter een gordijn moest optreden voor een wit publiek, die naar eigen zeggen Hoochie Coochie Man van Willy Dixon aangeboden kreeg maar dit afwees, die de blues van een hele eeuw mee beleefd heeft en deels mee gevormd, dan moet je wel gaan. En je wellicht haasten, gezien zijn gezegende leeftijd. Zijn levensles over waarom je blues zou zingen was duidelijk: ‘you sing the blues when your woman left you, or when she stayed too long …’.
Een volgende blues-grootheid was Robert Cray, die voor de vijfde keer in Peer stond. Hij prijkte zelfs al op de eerste affiche in 1985! Alles aan een optreden van Robert Cray is helemaal af, de perfectie sluimert in elke noot. Misschien daarom dat wij het net iets minder beklijvend vinden, maar dat de man een song kan brengen, mag duidelijk zijn. Een altijd grappig moment bij zijn concerten is dat koppels samen beginnen dansen en neuriën op de grote eighties hit “Right next door, because of me”. Terwijl dat over overspel en een relatiebreuk gaat. Maar het waggelt wel leuk, toegegeven.
De Mississippi Club werd afgesloten door de James Hunter Six. Die zijn inderdaad met zes en spelen een feestje van soul met genoeg Britse flegmatiek en interactie met het publiek zodat iedereen stond te dansen.
Deze editie van Blues Peer afsluiten was voor The Scabs. Die brachten duidelijk eigen fans mee, waardoor het terrein uiteindelijk vol liep (en leegliep omdat velen het welletjes vonden). De twee oorspronkelijke leden (met naast Guy Swinnen ook drummer Frankie Saenen) worden aangevuld met jonge of minder jonge talenten, waardoor ze strakker klinken dan een jeansbroek na drie dagen festivalfriet.
Blues Peer 2026 is al lang geen bluesfestival meer voor puristen met een stofjas vol Mississippi-modder en een encyclopedische kennis van obscure B-kantjes. Maar het was wél een heerlijk festival: zon op de wei, vrienden, stoeltjes in alle ergonomische gradaties, verrassende ontdekkingen, oude bekenden en genoeg blues, soul, funk, rock en festivalgekte om het hele weekend overeind te houden. Misschien is dat net de kracht van het nieuwe Blues Peer: het probeert niet meer krampachtig te bewijzen wat blues precies is, maar laat gewoon horen hoeveel kanten die muziek uit kan. En als je dan met goed volk, koude drank en af en toe een kippenvelmoment naar huis gaat, dan is de belangrijkste festivalvraag eigenlijk beantwoord: volgend jaar weer? Ja hoor. Wayoo, zelfs.